'Drie realistische fabels van Sybren'

In het eerste hoofdstuk van Breekwater past de auteur een procédé toe, dat hij in zijn verder werk niet meer gebruikt heeft. Hij laat er namelijk zijn hoofdfiguur in geboren worden als een romanfiguur, d.i. als een figuur die begint te bestaan krachtens de verhaals- en woordverbeelding. Eigenlijk bestaat iedere romanfiguur (uitsluitend) krachtens die verbeelding, maar het maakt wel degelijk een verschil uit of de auteur al dan niet dit scheppingsprocédé in zijn verhaal mee betrekt en opneemt. Doet hij dit wel, dan verbreekt hij in elk geval op een of andere manier doelbewust de realiteitsillusie. De manier waarop Sybren Polet dit doet, mede bepaald door de ironiserende toon, verleent er inderdaad een exemplarisch fabel-karakter aan. In dit eerste hoofdstuk verneemt de lezer dat de hoofdfiguur al 59 jaar lang heeft bestaan als Mr. J. H. Godgegeven (dat kan betekenen door God, maar niet door de auteur geschapen), funktionaris op een verzekeringskantoor te Amsterdam. Dit voorbije bestaan speelt geen rol meer, als romanfiguur begint Godgegeven pas te leven de eerste dag dat hij in het verhaal optreedt. Van die dag af wordt hij opnieuw geboren en krijgt nu de duidelijk symbolische naam Breekwater. Die hergeboorte wordt veroorzaakt door Godgegevens beginnende verliefdheid op zijn jonge sekretaresse Merel. En wij nemen kennis van enkele symptomen ervan. Aan de ontbijttafel stelt Godgegeven de volgende vraag aan zijn (vijfenvijftig jaar oude) vrouw: 'Hoe gaat het met onze dochter die in Australië woont en die getrouwd is met een mijnbouwkundig Ingenieur?' Op het vlak van een realistische psychologie is dit, technisch beschouwd, onzin. Godgegeven spreekt hier als een soort karikatuur, en dit karikaturale karakter, dat hij ten dele de hele roman door behoudt, typeert hem als fabelfiguur. De bedoeling is waarschijnlijk aan te duiden dat hij zich in een toestand van verwarring en verzwakt realiteitsbesef bevindt, waardoor het verleden, dat hij hier omslachtig oproept, hem dreigt te ontsnappen. Indien geboren worden ook wil zeggen: nog geen verleden hebben, dan betekent herboren worden ook: geen verleden meer hebben. De tijdsproblematiek speelt in de drie romans inderdaad een grote rol.
Een ander aspekt van Godgegevens confuse toestand, waarin hij de greep op zichzelf verliest, wordt aangegeven in het volgende duidelijk irreële tafereel. Godgegeven klimt langs de buitenmuur van het kantoorgebouw naar zijn kamer, zonder moeite, want 'de heer Godgegeven bezat nog de jeugdige soepelheid van een glazenwasser of een beroepsdief. Op de vierde verdieping lag zijn kantoor; hij bereikte het in dezelfde tijd die hij nodig gehad zou hebben als wanneer hij met de lift was gegaan.' Klaarblijkelijk is Godgegeven wel degelijk met de lift gegaan (of hoogstens langs de trap), maar hij fantaseert een jeugdiger optreden, d.w.z. hij dicht zichzelf een irreële rol toe. Dat de (droom-) verbeelding hier niet anders beschreven wordt dan de 'werkelijkheid', of anders gezegd: dat beide als bewustzijnservaringen op gelijke voet worden behandeld en dat er bijgevolg tussen beide geen overgangen worden aangeduid, is een volkomen gerechtvaardigd schrijfprocédé, waarvan Sybren Polet voortdurend gebruik maakt, en dat trouwens in de hele moderne literatuur vaak voorkomt.


print deze pagina print deze pagina